Achtergrond van de zaak
De zaak betrof twee schuldenaren die in 2019 schuldhulpverlening zochten bij de gemeente Westland. Na diverse stappen in het schuldhulpverleningstraject, waaronder de instelling van bewind en beëindiging van de dienstverlening door de schuldhulpverlener, verzochten zij om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek toe, maar bepaalde de ingangsdatum van de regeling op één maand voor de uitspraakdatum, gebaseerd op het beperkte bedrag dat tijdens het voortraject was gespaard. De schuldenaren gingen in hoger beroep, wat leidde tot prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Prejudiciële vragen en beantwoording
De centrale vraag was hoe de termen ‘eerste aflossing’, ‘in het kader van’ en ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ in artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet (Fw) moeten worden geïnterpreteerd. De Hoge Raad oordeelde dat met ‘buitengerechtelijke schuldregeling’ wordt gedoeld op het minnelijke traject van schuldhulpverlening en dat ‘in het kader van’ moet worden gelezen als ’tijdens’ dit traject. Een ‘eerste aflossing’ kan zowel een daadwerkelijke betaling aan schuldeisers zijn als het sparen van een bedrag ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Zelfs een zogenaamd ‘nulaanbod’, waarbij wordt vastgesteld dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft, kan als ‘eerste aflossing’ worden beschouwd.
Voorwaarden voor vervroegd aanvangsmoment
Om in aanmerking te komen voor een vervroegd aanvangsmoment van de schuldsaneringsregeling, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Dit houdt in dat de schuldenaar maximaal moet aflossen op basis van de normen voor het vrij te laten bedrag en zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De rechter dient bij het bepalen van het aanvangsmoment te beoordelen of de schuldenaar aan deze inspanningsverplichting heeft voldaan. Indien dit niet het geval is, kan de rechter besluiten de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen.
Gevolgen van de uitspraak
Deze uitspraak van de Hoge Raad biedt duidelijkheid voor zowel schuldenaren als schuldeisers over de toepassing en interpretatie van artikel 349a lid 1 Fw. Het benadrukt het belang van actieve en maximale inspanningen van de schuldenaar tijdens het minnelijke traject om in aanmerking te komen voor een verkorte termijn van de schuldsaneringsregeling. Daarnaast onderstreept het de noodzaak voor rechters om zorgvuldig te toetsen of aan de gestelde voorwaarden is voldaan alvorens een vervroegd aanvangsmoment toe te kennen.
Deze verduidelijking draagt bij aan een meer uniforme toepassing van de wet en biedt handvatten voor de praktijk bij de behandeling van schuldsaneringsverzoeken.
De hele uitspraak kun je vinden op rechtspraak.nl